Energie, inflatie en de rest volgt
13 april 2026
Het eerste kwartaal-cijferseizoen barst deze week los. Maar voorlopig draait het daar niet om. De situatie in Iran en de olieprijs domineren het speelveld.
Het spanningsveld voor beleggers is helder:
- Hogere energieprijzen → inflatievrees → oplopende rentes
- Geopolitieke onzekerheid → groeivrees → dalende rentes
Dat beide krachten gelijktijdig actief zijn, verklaart de grilligheid op de financiële markten. Het is immers een ongemakkelijke combinatie: inflatie die hardnekkig blijkt, en groei die aan momentum verliest. Voor de aanstaande nieuwe voorzitter van de Federal Reserve meteen een stevige vuurproef.
Want een gefundeerde visie formuleren op basis van recente macrocijfers heeft op dit moment weinig zin.
Wel is duidelijk dat Iran feitelijk de toegang van de Straat van Hormuz controleert, terwijl het verkeer tegelijkertijd kwetsbaar is door de aanwezigheid van zeemijnen. Het Amerikaanse plan lijkt gericht op het beperken van Iraanse controle enerzijds en het openhouden van de doorvaart anderzijds — via ontmijning, marine-escorte en druk op het regime.
Sounds like a plan. Maar ook een plan dat het oplaaien van vijandelijkheden niet zal voorkomen. De bevoorrading van de wereld met olie en LNG — en daarmee indirect ook energie-intensieve ketens zoals kunstmest — zal in eerste instantie verslechteren.
Intussen kruipen de Amerikaanse tussentijdse verkiezingen langzaam maar zeker naderbij.
Kiezers stemmen met hun portemonnee. Zij belonen of straffen de zittende macht op basis van hun koopkracht. Als reële lonen dalen, pakt dat vrijwel altijd slecht uit voor de partij die regeert. De Amerikaanse kiezer heeft inflatie al nadrukkelijk als probleem aangemerkt. Hogere brandstofprijzen werken direct door in dat sentiment. De stijging van de prijzen aan de pomp heeft in maart(!) al geleid tot het hoogste inflatiecijfer in meer dan twee jaar tijd (+3%).
Dat is politiek relevant. Voor Amerikaanse politici moet het duidelijk zijn dat dit de kiezer erg ongelukkig maakt. Amerikanen (Democraten én Republikeinen) vulden de maandelijkse sentiment-meter van de University of Michigan in elk geval nog nooit zo negatief in. En die gaat terug tot 1978.

De cruciale vraag is nu hoe lang de verstoring in de Straat van Hormuz aanhoudt. Blijft die lang genoeg bestaan, dan zullen bedrijven hun hogere energiekosten moeten doorberekenen. Dat is het punt waarop tijdelijke schokken structureel worden — en inflatie opnieuw oploopt.
Daarmee wordt de speelruimte voor de zittende macht snel kleiner.
Hoe complex de wereld ook oogt, de politieke realiteit is eenvoudig: zonder lagere energieprijzen geen lagere inflatie. Zonder lagere inflatie geen lagere rentes. En zonder die combinatie wordt het buitengewoon lastig om de verkiezingen te winnen.
